Samen met burgers op zoek naar pieken in fijn stof
Hiermee pak je volgende uitdagingen aan:

Afgelopen winter hebben een groep burgerwetenschappers samen met de Vlaamse Milieumaatschappij op verschillende locaties in Vlaanderen fijnstofmetingen uit gevoerd met een fijnstofsensor. Fijn stof is een polluent met een grote gezondheidsimpact, dus het is belangrijk om dit in kaart te brengen. De burgers gingen regelmatig op pad in hun buurt om pieken in fijnstof te kunnen detecteren. De VMM wil op die manier een beter zicht krijgen op de bronnen van hoge concentraties fijn stof op lokaal niveau.
Bronnen van fijn stof traceren
Het is voor sommigen misschien verrassend, maar de grootste primaire bron van fijn stof in Vlaanderen zijn huishoudens (48% anno 2022), vooral door verwarming met (hout)kachels. Houtstook veroorzaakt niet alleen hinder bij omwonenden, maar heeft een negatief effect op de luchtkwaliteit.
Hoewel houtstook garant staat voor naar schatting 10% tot 20% van de fijnstofconcentraties in de lucht, is deze bijdrage momenteel niet expliciet zichtbaar in onze metingen en modelkaarten: om de lokale impact van emissies zoals huishoudelijke verwarming te bepalen, zijn er immers fijnmazige metingen nodig. Dit valt buiten de mogelijkheden van ons regionaal Vlaams meetnet. Daarnaast is er geen kennis over waar en hoeveel er gestookt wordt, wat het onmogelijk maakt om deze impact op lokaal niveau mee op te nemen in de modellering.
Houtstook is een onzichtbaar probleem: de negatieve effecten zijn direct merkbaar, maar moeilijk te kwantificeren en daardoor ook te objectiveren. Dit maakt het lastig voor zowel burgers als beleidsmakers om tot een duidelijk beeld te komen.
Burgerwetenschap helpt mee visualiseren
Om het probleem rond houtstook toch visueel behapbaar te maken, hebben burgerwetenschappers samen met de Vlaamse Milieumaatschappij tijdens de voorbije winter, in navolging van een succesvol pilootproject in Hove tijdens de winter 2023-2024 metingen uitgevoerd. In dit project gingen burgers met mobiele fijnstofsensoren op pad om op lokaal niveau te meten. Door met deze sensoren steekproefsgewijs door hun omgeving te wandelen, fietsen of joggen, brachten deelnemers lokale bronnen in hun stad of gemeente in kaart.
Dit pilootproject werd in de winter 2024-2025 herhaald in Antwerpen, Eksaarde, Gent, Hoeilaart en Kuringen. De resultaten werden inmiddels besproken met de deelnemers en het project werd als positief ervaren. De metingen kwamen overeen met hun ervaringen en houtstook kwam vooral voor de landelijke piloten naar voren als een lokale bron van vervuiling en hinder. Dit werd mede bevestigd door een logboek dat door verschillende deelnemers werd bijgehouden.
Met behulp van een dashboard dat door de VMM werd ontwikkeld, konden de deelnemers hun trajecten in detail overlopen en precies zien hoe het verloop van hun metingen ging.

Op zoek naar pieken
Om de vertaalslag van trajecten naar een verdeling van mogelijke lokale bronnen te maken, ontwikkelde de VMM een algoritme dat pieken herkent in de metingen. Je kan dit algoritme in actie zien in Afbeelding 1: de pieken zijn er rood omcirkeld. Wanneer een meting een plotse piek vertoont, betekent dit dat er op die locatie waarschijnlijk een lokale bron actief was.
Het is met name de verdeling van deze bronnen die we willen gaan visualiseren. De volgende stap is dus om het doelgebied van de metingen te gaan opdelen in vakjes. Per vakje kijken we enerzijds hoeveel metingen er gebeurd zijn, en anderzijds hoeveel van die metingen pieken waren. Zo krijgen we twee kaarten: een passage-kaart en een pieken-kaart.

De passage-kaart geeft de omgeving weer waarin metingen gebeurden en illustreert de dekking (en dus de ruimtelijke representativiteit) van de metingen. De pieken-kaart illustreert dan weer welke probleemzones er zich voordoen in de gemeten omgeving. Deze kaarten dienen altijd samen bekeken te worden: waar er vaak gemeten is, kunnen zich ook vaker pieken voordoen. Los daarvan zien we in de pieken-kaart het verschil op (hyper)lokaal niveau duidelijk worden: sommige straten/wijken vertonen veel meer pieken per passage dan anderen. Deze komen volgens de deelnemers voor de landelijke piloten ook duidelijk overeen met plaatsen waar meer gestookt wordt.
Ook de spreiding in tijd wijst aan dat vele van de gemeten lokale bronnen overeenkomt met houtstook: wanneer we het totale percentage pieken berekenen voor elke piloot, zowel voor alle mogelijke tijdstippen als enkel voor de uren waarin typisch gestookt wordt (16h-24h), zien we dat er verhoudingsgewijs meer pieken voorkomen in de avond.

Voor de stedelijke piloten is het moeilijker om tot een duidelijk beeld te komen: de mogelijke bronnen zijn er zo divers dat een eenduidige analyse van de pieken-kaart zeer complex is. Hier stoten we onmiddellijk op het grootste struikelblok van deze methodiek: zonder context is het zeer moeilijk om aan een piek ook een soort bron te koppelen. Hiervoor zouden we dus input nodig hebben van de deelnemer zelf, bijvoorbeeld via een logboek. De huidige vorm van het logboek (een online document dat na de meting diende ingevuld te worden) werd echter als een zware klus ervaren. Een meer gebruiksvriendelijke en laagdrempelige vorm van dit logboek zal wenselijk zijn om deze methodiek in complexere omgevingen te laten slagen.
Van meting naar (gedrags)verandering?
Na afloop van de metingen werd er een infomoment voorzien voor elk pilootproject, waarbij de resultaten werden overlopen en er ook wat meer toelichting werd gegeven. Er werd ook een enquête afgenomen bij de deelnemers, waarbij er gepeild werd naar hun ervaringen,, verdeeld in 3 thema’s: motivatie en betrokkenheid bij het onderzoek, perceptie van luchtkwaliteit en ervaringen van het werken met de sensor. In totaal hebben 21 respondenten de enquête ingevuld.
De grote meerderheid gaf aan dat “milieu- en klimaatbewustzijn” en “interesse in wetenschappelijk onderzoek” de belangrijkste redenen waren om deel te nemen. Voor veel mensen is dus de combinatie van een ‘gezonde’ bezigheid (wandelen, lopen, fietsen) met het meewerken aan maatschappelijk relevant onderzoek één van de sterkere punten van dit soort onderzoek. Een derde van de deelnemers gaf na afloop ook aan dat de impact van houtverbranding toch hoger was dan dat ze op voorhand verwacht hadden.
Bijna de helft van de respondenten schatten dat tussen de 10% en 25% van de huizen in hun meetgebied in de winter met hout stoken. Dit is consistent met eerdere bevragingen, waarin berekend werd dat ongeveer 21% van de huishoudens in Vlaanderen hout stoken (de meerderheid wel als sfeer- of bijverwarming). Volgens de meeste respondenten is er geen of weinig bewustzijn bij de mensen in hun buurt over de impact van houtstook. Dit bevestigt de noodzaak voor beleidsmakers om meer in te zetten op informatie- en bewustzijnscampagnes. Bewustzijnscampagnes die de nadruk leggen op de gezondheidseffecten van houtverbranding blijken het meest effectief te zijn.
Opvallend was dat alle respondenten te vinden waren voor een tijdelijk stookverbod op dagen met slechte luchtkwaliteit, al zou een derde van hen dit enkel toepassen in dichtbewoonde gebieden. Dit is opmerkelijk, aangezien eerdere polls in Nederland aangaven dat ongeveer 50% voorstander was van een tijdelijk stookverbod, met 34% tegen en 16% die het enkel onder bepaalde voorwaarden willen. Hoewel het een kleine steekproef is, lijkt dit resultaat wel aan te geven dat mensen zelf te laten meten het draagvlak voor dit soort maatregelen vergroot.